Inbreng Raad Oordeel­vorming Woonvisie


18 juni 2020

Het voorliggend visie-document is op een aantal punten sterk verbeterd ten opzichte van het ontwerp. We waarderen de toevoegingen ten aanzien van duurzaam en natuurinclusief bouwen en hopen dit in praktijk veel terug te gaan zien. Ook het doelgroepenbeleid en het realiseren van nieuwbouw met een hoog aandeel sociale huurwoningen en meergezinswoningen ondersteunen we. Enerzijds vanwege een eerlijkere kans op een huis voor iedereen en anderzijds omdat meergezinswoningen per definitie minder schaarse grond innemen. In zekere zin kan een volledig duurzaam gebouwd appartementencomplex met sociale huurwoningen ook als een verzameling ‘tiny houses’ beschouwd worden. En dit soort goedkope woningen zijn hard nodig voor starters en mensen die opeens op straat komen te staan, bijvoorbeeld na een echtscheiding.

Maar … we kunnen nog steeds niet instemmen met deze woonvisie, want de stelling dat er een behoefte is aan 6.000 woningen in onze gemeente tot 2040 onderschrijven we niet. En daarvoor heb ik twee argumenten:

1. De behoeftebepaling is onjuist

2. De regionale verdeling is niet evenwichtig

1. Eerst de behoeftebepaling: In mijn beleving stel je een behoefte vast door te kijken naar wat je nodig hebt. In dit geval is een omgekeerde redenatie toegepast door op voorhand te kijken hoeveel er maximaal geplaatst kan worden.

In de woonvisie zelf staat (p.9) dat een realistische prognose voor de toename van het aantal huishoudens in de periode 2020 tot 2040 varieert tussen de 2700 en 3800 huishoudens. Dat is geen 6.000 huishoudens.

In de woonvisie staat ook “na realisatie van de geplande groei blijft er nog een lokale behoefte over van circa 1.500 woningen. […]. Bouwen we meer of in andere segmenten dan de lokale behoefte, dan voorzien we vooral in de regionale woningbehoefte.” Opgeteld gaat het hier dus om een lokale behoefte van 3.500 woningen. Dus nogmaals: Waarom vasthouden aan een ambitie van 6000 woningen?

2. En dan kom ik bij het tweede argument, de evenwichtige verdeling:

Vorige keer gaf de wethouder in antwoord hierop aan dat we als gemeente door de provincie en het rijk min of meer gedwongen worden de woningnood regionaal aan te pakken. De provincie stelt echter ook dat een evenwichtige verdeling over de regio nagestreefd moet worden. Daarom heb ik tijdens de beeldvormende vergadering twee staatjes voorgelegd. Uit deze cijfers blijkt ten eerste dat we met de hele regio vooral voor de behoefte in Den Haag aan het bouwen zijn. Stel dat we dat als een gegeven accepteren, omdat de provincie ons dat opdraagt, dan nog is de verdeling niet evenwichtig als je kijkt naar de bouwinspanning per inwoner en bouwt onze gemeente bovengemiddeld veel.

Mijn vraag aan het college is, waarom doen we dit? Of beter de kernvraag: Wat heeft Pijnacker-Nootdorp hier aan? Kunnen we geen ‘nee’ zeggen tegen de regio? Zien we er een mooi verdienmodel in? Willen we nog steeds een groeigemeente zijn, om onze regionale invloed op termijn te vergroten? Waarom zoveel bouwen?

Onze fractie is van mening dat het noodzakelijk is om de tendens van ‘meer willen dan je nodig hebt’ te doorbreken om een leefbare planeet te behouden. Dat is een van de kernboodschappen van onze partij en die gaat hier in het klein ook op. Als we bouwen voor de echte behoefte, kan onze gemeente groener en dorpser blijven. Zo simpel is het!

Ik pleit er daarom nogmaals voor de ambitie af te stemmen op de werkelijke behoefte en het aantal van 4000 woningen op pagina 3 van de woonvisie omlaag te brengen. Zelfs als je de werkelijke behoefte van onze gemeente loslaat en vanuit een regionale behoefte bijdraagt naar rato van het inwoneraantal, dan nog zitten we daar nu 800 woningen boven met de huidige ambitie in deze woonvisie.

Dit was onze inbreng voor de eerste termijn voorzitter.