Schrif­te­lijke vragen ontwerp Omge­vings­visie


Indiendatum: 12 mei 2021

Vraag 1

Er staat: (pag 15) ‘De analyse van de huidige situatie in Pijnacker-Nootdorp en de resultaten van de participatie laten zien dat de samenhang tussen gebieden en functies verbeterd kan worden.’ Hoe ziet deze analyse eruit? Welke Koppelkansen zijn er?

Antwoord: De analyse vindt u terug in de hoofdstukken ‘Het Pijnacker-Nootdorp van nu’ en ‘Een kompas voor de omgevingsvisie’. Concreet gaat het om de pagina’s 6 tot en met 14. Daarin is beschreven hoe de ruimtelijke, sociale en economische structuur van onze gemeente is ontstaan en functioneert. Daarin wordt ook beschreven dat gebieden en functies vaak los van elkaar staan en naast elkaar functioneren in plaats van in samenhang. De kansen om de samenhang te verbeteren zijn gevarieerd en vragen soms om grote ingrepen, maar zitten vaak ook in kleine dingen. In de intermezzo’s ziet u voorbeelden van kansen om functies en gebieden te verbinden.

Vraag 2

Er staat (pag 15) ‘We vragen initiatiefnemers ook om daar zelf over na te denken en aan te geven hoe en waar hun initiatief zorgt voor sociale, economische en/of ruimtelijke verbinding. En natuurlijk ook hoe het initiatief bijdraagt aan het behouden, versterken en toevoegen van kwaliteiten. Om dit te illustreren zijn er in deze omgevingsvisie vier intermezzo’s opgenomen. Eentje voor iedere ontwikkelingslijn. Daarin zijn voorbeelden opgenomen van ontwikkelingen overeenkomstig het kompas en bijdragen aan ruimtelijke, economische en sociale verbinding.’ Waarom is de ecologische verbinding niet meegenomen als 3 e P van duurzaamheid?

Antwoord: De intermezzo’s zijn voorbeelden in de vorm van uitsneden uit de gebiedsprofielen die laten zien hoe gebieden zich kunnen ontwikkelen en verbinding kunnen leggen. De keuze voor de drie voorbeelden ligt in lijn met de analyse van de huidige situatie. Op de voorbeelden ziet u ook elementen terug van duurzaamheid en/of groen. Zo ziet u bij economische verbinding een bloemrijke berm, bij sociaal verbonden een groene leefomgeving met veel bomen en gevarieerde beplanting en bij ruimtelijk verbonden een natuurvriendelijke oever.

Vraag 3

Waarom expliciet alleen inzet op vergroening in nieuw te bouwen wijken? Later (p. 49) is er een suggestie dat er bij herstructurering en vervanging in bestaande wijken ook kansen benut worden om groen te verbeteren en uit te breiden. Hoe zit het nu precies?

Antwoord: Bij de realisatie van nieuwe wijken is er meer ruimte om groen en groene verbindingen aan te leggen. Eenvoudigweg omdat er nog weinig of niets staat. Daardoor kan een groene verbinding worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld nu ook in Tuindershof gebeurt. In bestaande wijken willen we ook kansen voor vergroening benutten, bijvoorbeeld wanneer de openbare ruimte wordt geherstructureerd. Daar zijn echter minder mogelijkheden voor groene verbindingen omdat de wijken al gerealiseerd zijn. De bestaande openbare ruimte is de dan de belangrijkste variabele, hoewel we natuurlijk ook inwoners willen stimuleren hun tuinen te vergroenen.

Vraag 4

Er staat in de ontwerp omgevingsvisie dat er sprake is van 26% groei tot 2050: een kwart meer inwoners. Hoe wordt voldaan aan meer groen, betere luchtkwaliteit, onder andere doordat als er veel meer verkeersbewegingen komen?

Antwoord: Daarvoor verwijzen we u naar de planMER. In de factsheets over deze onderwerpen kunt u zien hoe
onderwerpen als openbare ruimte, luchtkwaliteit, geluidshinder en mobiliteit zich gaan ontwikkelen bij realisatie van de omgevingsvisie.

Vraag 5

Begrijpen we goed uit de kaart dat het de bedoeling is om huizen te gaan bouwen op de bedrijfsterreinen (legenda: ‘Kleinschalig gemengde bedrijventerreinen en woonwijken’)?

Antwoord: Nee, dat is niet de bedoeling. De bedrijventerreinen zijn primair voor bedrijven, maar we zien ruimte
voor meer functiemenging op sommige plekken om de verbinding tussen de bedrijventerreinen en andere gebieden te verbeteren. Dit is nader uitgewerkt in het gebiedsprofiel ‘Parkachtige bedrijventerreinen’.

Vraag 6

Er wordt gesproken over 48% bruto netto verhouding glastuinbouw. Wat houdt dat precies in?

Antwoord: Dat betekent dat van het oppervlak met de bestemming Glastuinbouw 48% daadwerkelijk bebouwd is
met kassen en bedrijfsgebouwen.

Vraag 7

Circulair bouwen: “… zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten…” . Wie bepaalt of het onnodig is in een bepaalde situatie en hoe wordt dat bepaald.

Antwoord: De omgevingsvisie omschrijft wat we willen bereiken. Daaronder valt ook de ambitie om circulair en
natuurinclusief te bouwen. Door middel van een definitie hebben we beoogd dit zo concreet mogelijk te
maken. Zolang het geen wettelijke verplichting is, kunnen we het niet afdwingen en zullen we dit in overleg met initiatiefnemers moeten oppakken.

Vraag 8

Bij de transformatie van (glas)tuinbouwgebieden, zoals Dwarskade, is een groene verbinding of buffer gerealiseerd. Daardoor is een zachte overgang ontstaan, waarbij het groen als het ware het gebied wordt ingetrokken Hoe wordt de geleidelijke overgang met de Dwarskade beoogd? Hoeveel ruimte is daarvoor beschikbaar?

Antwoord: Een zachte overgang en het groen het gebied intrekken is een randvoorwaarde die bij de ontwikkeling
van het gebied moet worden meegenomen. Bij start van de ontwikkeling van een gebied wordt vaak een
masterplan, gebiedsvisie of iets dergelijks gemaakt. Dan zal inzichtelijk moeten worden gemaakt hoe dat eruit ziet, welke oppervlakte het heeft en waar het precies ligt.

Vraag 9

In hoeverre is het OCAP netwerk al duurzaam te noemen (% groene bronnen van CO2) en wat is de
verwachte ontwikkeling hierin? Is het niet mogelijk zonder een kunstmatig hoog CO2 gehalte in de kas
te werken? Emissieloze kas: betekent dat ook dat er geen CO2 weglekt?

Antwoord: Bij het OCAP netwerk wordt CO2 van de industrie, die anders gewoon de lucht in zou gaan, afgevangen
en gebruikt voor de groei van planten/groenten. Zonder extra CO2 groeien de planten/groenten minder hard en deze vorm van CO2 gebruik creëert dus een win-win situatie. De emissieloze kas heeft betrekking op het niet lozen van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen op het water en niet op CO2.

Vraag 10

Er staat: ‘Door de panelen iets uit elkaar te plaatsen en kleine hoogteverschillen te introduceren kunnen nieuwe biotopen gecreëerd worden. Dit is een goed voorbeeld van de manier waarop meerdere doelstellingen (biodiversiteit, energietransitie en (glas)tuinbouw) met elkaar kunnen worden verbonden’ Waar komt dit idee vandaan? Zijn er bewezen praktijkvoorbeelden?

Antwoord: Deze kans is benoemd door de ambtelijke organisatie en wordt inderdaad ondersteund door onderzoek. Zo heeft de WUR daar bijvoorbeeld onderzoek naar gedaan en aanbevelingen opgesteld.

Vraag 11

Het programma voor de ondergrond wordt nog opgesteld en is formeel een collegebevoegdheid. Is het
regionale warmtenet hier ook onderdeel van en wat is de zeggenschap van de Raad nog in deze?

Antwoord: Het programma is inderdaad een bevoegdheid van het college. Dat betekent dat er geen formele
zeggenschap is van de raad. Uiteraard zullen we u informeren over het opstellen van en de inhoud van de programma’s. Over de wijze waarop we hier als raad en college in samen gaan werken hebben we nog geen afspraken gemaakt. Dit zou een goed onderwerp kunnen zijn voor de werkgroep met de raad. We zijn nog niet gestart met het opstellen van programma’s, bijvoorbeeld voor de ondergrond. Het betreft alle zaken in de ondergrond. De eventuele aanleg van een regionaal warmtenet vergt natuurlijk een separaat beslissingstraject.

Vraag 12

Poort Dobbeplas = meer horeca? En verder? En waarom evenementen daar? P. 53, wat is ‘af en toe’? Kan dat niet ernaast in die groene buffer? Of zijn dat die buurtschappen (Balijade en Dwarskade)? Waarom niet ergens anders in Nootdorp. Bijvoorbeeld op de sportvelden?

Antwoord: Ook in ons huidige beleid is de Dobbeplas al een recreatieve poort. Het is zelfs een TOP (Toeristisch
Overstap Punt). Dit gebied is goed toegankelijk en mede daardoor geschikt voor meer intensieve recreatie waaronder de genoemde evenementen. Zo vindt daar nu ook het Dobbe Lente Festival plaats. Het is een aantrekkelijke ontmoetingsplaats waar af en toe activiteiten/evenementen kunnen plaatsvinden. Uit de participatie blijkt dat, met name jongeren, deze evenementen waarderen en het een goede manier is om elkaar laagdrempelig te ontmoeten.

Vraag 13

Wat is de definitie van circulair ondernemen (er is wel een definitie van circulair bouwen)? Kan die definitie opgenomen worden in het document?

Antwoord: De economische visie is als bouwsteen gebruikt voor het opstellen van deze omgevingsvisie. In deze
visie wordt de ambitie voor circulair ondernemen uitgesproken en dit is vastgesteld door de raad. Er is geen definitie opgenomen. Overigens merken wij op dat circulaire economie door uw raad in het hoofdlijnenakkoord ook reeds is genoemd. Daarin staat bijvoorbeeld dat u met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties concrete doelen en stappen af gaat spreken voor het behalen van klimaatdoelstellingen, de energietransitie en circulaire grondstoffenstromen. Met een heldere en gedragen marsroute en meetbare tussenresultaten vergroten we onze grip op deze omvangrijke thema’s. Hoofdstuk 3 van het hoofdlijnenakkoord bevat ook voorstellen over duurzame glastuinbouw, (circulaire) economie en dierenwelzijn. Indien u een definitie voor circulaire economie op zou willen nemen, dan kan dat uiteraard. Wel stellen we voor om dit dan bij de vaststelling te doen zodat we in de komende tijd een voorstel kunnen maken en dit kunnen toetsen bij diverse partners (zoals ondernemers en -verenigingen).

Vraag 14

Er wordt gesproken over een aantrekkelijk vestigingsklimaat ondernemers. Dat is een algemeen begrip.
Wat wordt verstaan onder een aantrekkelijk vestigingsklimaat? En wat is daar nog voor nodig?

Antwoord: Ook deze ambitie ligt in het verlengde van de economische visie. In de omgevingsvisie benoemen we
vele variabelen die samen een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemers vormen zoals: goede
bereikbaarheid, goede digitale voorzieningen, groene omgeving, huisvesting voor werknemers, ruimte om te ondernemen en een goed verzorgd bedrijventerrein of glastuinbouwgebied. Ieder gebied is anders en heeft dus ook andere voorzieningen nodig. Het ene glastuinbouwgebied beschikt al over een warmtenet, het andere nog niet. Het ene bedrijventerrein is al mooi en netjes, het andere nog wat minder. Dat gaan we naar de toekomst toe verder uitwerken in programma’s.

Vraag 15

Wat moeten we ons voorstellen bij ‘plekken die druk en licht zijn’? Bijvoorbeeld hogere milieucategorieën toestaan dan nu o.i.d.?

Antwoord: Een voorbeeld van een drukke en lichte plek is bijvoorbeeld het centrum. Daar zijn veel mensen, zitten
mensen tot laat op een terras, staat relatief veel verlichting en is veel mobiliteit. Ook op een bedrijventerrein is het vaak drukker. Er zijn veel verkeersbewegingen, bedrijven starten vroeg en eindigen laat en maken herrie bij de uitvoering van hun bedrijfsvoering. Dat kan zich uiten in milieucategorieën, maar hoeft niet. Het is vooral bedoeld om een tegenstelling aan te geven tussen rustige, donkere plekken en drukke, lichte plekken.

Vraag 16

Op pag.49 staat een drone op het plaatje. Dat mag toch niet in bewoonde omgeving?

Antwoord: Drones zijn er in allerlei soorten en maten. Ze worden op verschillende plekken en voor verschillende
doelen gebruikt. Welke regels gelden, hangt af van het risico op een ongeval tijdens de vlucht. Vanaf 31 december 2020 gelden in de Europese Unie drie categorieën. Daarmee is het vliegen met drones in de bewoonde omgeving niet uitgesloten. Daarbij willen we opmerking dat de gebiedsprofielen niet zijn bedoeld als een letterlijke verbeelding van hoe de gemeente eruit komt te zien. Ze geven een inspirerend en uitnodigend beeld van hoe het er uit zou kunnen zien.

Vraag 17

De Omgevingsvisie voorziet in de bouw van 4.000 woningen. Deze ontwikkeling hoeft niet direct tot een
verslechtering te leiden, maar bij transformatiegebied Rijskade vormt externe veiligheid wel een aandachtspunt. Waarom is dat?

Antwoord: Hiervoor verwijzen we naar pagina 338 van het planMER. Daar is beschreven dat door het gebied
Rijskade een hoge druk aardgastransportleiding loopt. Een dergelijke buisleiding heeft een aandachtsgebied. Door in een zo vroeg mogelijk stadium na te denken over de indeling van het plangebied kunnen de risico’s (en daarmee de bijbehorende tijd en kosten) mogelijk worden beperkt.

Vraag 18

In hoeverre is er via de omgevingsvisie/plannen/programma’s op energietransitie te sturen?

Antwoord: Er zijn verschillende manieren waarop gestuurd kan worden. De omgevingsvisie beschrijft wat we willen,
de programma’s zeggen vooral hoe we dat willen doen en de omgevingsplannen bevatten de regels die daarbij horen. Dat geldt voor alle onderwerpen en dus ook voor energietransitie. Dat betekent dat we daarin de ruimtelijke kaders bepalen waarbinnen de energietransitie mogelijk is (bijvoorbeeld ten aanzien van zonnevelden en/of windmolens).

Vraag 19

Er staat: ‘Daarnaast brengen de ambities op energietransitie nieuwe gevaren met zich mee, die niet altijd goed in beeld zijn te krijgen. De verwachting is dat het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie tot een verslechtering kan leiden voor de indicatoren ‘groepsrisico’ en ‘aandachtsgebieden’.’ Waarom is dat?

Antwoord: Hiervoor verwijzen we naar pagina 339 van het planMER. Hier staan voorbeelden omschreven van
risico’s van energietransitie (zonnepanelen, zonnecollectoren, buurtbatterijen, autobatterijen, accu’s, biomassa en waterstof). Mogelijke risico’s van batterijen zijn bijvoorbeeld een thermal-run-away, vergiftiging, elektrocutiegevaar en explosies (bij brand) en risico’s van energie uit biomassa zijn brandgevaar, explosiegevaar en vergiftiging. Waterstof is geurloos en kleurloos, het is zeer eenvoudig te ontsteken, het heeft een zeer hoge energetische waarden en een onzichtbare vlam. Ook zonne-energie is niet zonder gevaren, daarbij kunt u bijvoorbeeld denken aan brandgevaar, elektrocutie, instortingsgevaar, wegwaaien van panelen en het vrij komen van toxische stoffen.

Vraag 20

Deze visie richt zich op 2050. Dat leidt tot de vraag hoe we de komende maanden en eerstvolgende jaren omgaan met veranderingen. Kan het college bijv. het beoogde veranderingsproces richting deze visie schetsen? Bijv.: woningen worden gebouwd gaan ca. 40 jaar mee, bedrijventerreinen veranderen sneller en kerken staan vaak wel meer dan 100 jaar. Ook infrastructureel zal het een en ander blijven veranderen. Kan het college stilstaan bij hoe we initiatieven uit de samenleving langs de meetlat van de uiteindelijke Omgevingsvisie moeten leggen en dat in de tussentijd gaan doen?

Antwoord: De omgevingsvisie is ons kompas voor veranderingen. Wanneer er zich initiatieven aandienen of
wanneer we als gemeente vinden dat er aanleiding is om te veranderen dan baseren we ons op het kompas en stellen we onszelf vragen als: hoe kan deze plek bijdragen aan de ruimtelijke, sociale en economische structuur? Welke functies kan de plek verenigen en hoe dragen die bij aan onze kwaliteiten en identiteit? Daarbij kijken we uiteraard verder dan vandaag of morgen, zeker wanneer het om grootschalige ingrepen gaat. Bij het bouwen van een paar woningen in een straat is het anders dan wanneer bijvoorbeeld een heel bedrijventerrein toekomstbestendig moet worden gemaakt. Totdat de omgevingsvisie is vastgesteld ligt het niet voor de hand om mee te werken aan of grote veranderingen te initiëren. Het verdient de voorkeur om daarmee te wachten totdat u deze heeft vastgesteld. Dan beschikken we weer over een actuele en gedragen visie waarmee we inwoners,
ondernemers, (maatschappelijke) partners en buurgemeenten kunnen inspireren, regionaal en provinciaal kunnen agenderen en praktisch aan de slag kunnen gaan. Op pagina 60 staat een doorkijk naar hoe we de uitvoering van de omgevingsvisie voor ons zien.

Carla van Viegen
Annemieke Hulsbergen
Partij voor de Dieren

Indiendatum: 12 mei 2021
Antwoorddatum: 19 mei 2021

Beantwoording staat bij de vragen!